Memento mori – ook in de journalistiek

Een bespiegeling over het voortbestaan van de krant

 


Inleiding

Nederland ontleest

De strijd om de jonge lezer

Even snel happen

De aard van het verhaal

Multimediaal ondernemen

Toekomstperspectieven

 

Inleiding

‘De krant, geachte doemdenkers, heeft het eeuwige leven.’ Dit schrijft Joost Divendal, hoofdredacteur van De Journalist en ex-kunstredacteur van Trouw in het boek De lastige lezer. Een boude stelling die hij in zijn essay ‘Het eeuwige leven, de band tussen journalistiek en commercie’ onderbouwt met een aantal op het eerste gezicht steekhoudende argumenten.

De ‘zapbaarheid’ van de krant bijvoorbeeld alsmede de menselijke drang naar nieuws. “Geen medium is zo’n consequente chroniqueur van de actualiteit”, schrijft Divendal die in de inleiding van ‘De lastige lezer’ Schopenhauer citeert: “kranten zijn de secondewijzers van de geschiedenis”.

Toch wordt ‘de krant’ steeds minder gelezen. Er wordt überhaupt steeds minder gelezen, zoals uit studie van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) blijkt (overigens ook in ‘De lastige lezer’ opgenomen een essay dat hierover handelt.)

 

Dit baart zorgen in krantenland. Zolang het goed gaat met een medium, er een groeiende afzetmarkt is en het zich op groei niet wordt belemmerd door slechte economische tijdingen (zoals de laatste jaren), heeft de krant een aantal selling points. Maar als het wat minder gaat, merken de uitgeversconcerns (zoals onder andere PCM, waar de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw onder vallen) dat hun inkomsten minder stijgen dan anders en moet er actie worden ondernomen. Dan blijken kranten gewoon een bedrijf en moet er poen worden verdiend.

Het afgelopen jaar werden een aantal van deze acties doorgevoerd: de Volkskrant werd opgehipt door een restyling, de Trouw werd opgehipt door over te gaan op handzaam formaat (dat om verwarring met de Britse schandaalpers te voorkomen niet tabloid mag heten maar ‘compact’ wordt genoemd) en het Algemeen Dagblad maakte een fusie met zeven regionale kranten bekend.

 

Dat tabloidformaat doet het de laaste jaren sowieso goed in de journalistiek. Het AD en de Volkskrant komen al een tijdje met tabloid bijvoegsels, en het NRC Handelsblad experimenteerde het afgelopen jaar drie keer met een compacte ochtendkrant, gemaakt van de verhalen van de middageditie de dag ervoor en het ‘verse nieuws’ dat zich sinds het passeren van de deadline de dag ervoor heeft voorgedaan.

 

Allemaal plannen uit de koker van de marketingjongens die zich uit lezersonderzoek hebben laten wijsmaken dat hun lezersschare gemiddeld vijfendertig of ouder is. Ze zijn zich rot geschrokken, immers: wie de jeugd heeft, heeft de toekomst.

De vragen die onmiddellijk rijzen zijn onder andere: wat wil de jonge lezer van zijn of haar krant? Wie is de jonge lezer eigenlijk? Bestaat er überhaupt wel zoiets als een jonge lezer? Hoe kunnen we tegelijkertijd én jonge lezers trekken en toch onze oudere lezer aan ons gebonden blijven houden?

 

Nederland ontleest

Wereldwijd neemt de tijd die mensen nemen om te lezen af. Afnemende of in elk geval minder snel groeiende advertentie-inkomsten als gevolg van economische malaise en vooral de teruglopende afzetmarkt doordat men steeds minder leest, heeft de marketingtamtam op volle toeren laten trommelen. De door Divendal onaantastbaar geachte positie van het nieuwsblad ligt wel degelijk onder vuur.

Vooralsnog leest de jeugd de Metro of de Spits en niet het NRC Handelsblad. Het is het NRC (terecht) een doorn in het oog. De trend van afnemende oplages (die overigens voor eerder genoemde gratis titels niet geldt) is mondiaal en alomvattend. Er worden gewoon minder kranten gelezen, en zij die de kranten lezen, lezen minder lang. Er wordt minder gelezen. Wim Knulst schrijft in zijn essay ‘Liefhebberij op een lager pitje – Over de maakbaarheid van lezers’ dat is opgenomen in het boek De lastige lezer: dat in 1955/56 22% ‘van alle vrije uren’ door de bevolking ouder dan twaalf werden gevuld met het lezen van boeken, kranten en tijdschriften. De grootste afname hiervan vindt volgens Knulst, die zich baseert op onderzoeken van het CBS, in de periode tussen 1955 en 1975.

 

“Halverwege de opmars van de televisie, in 1962, toen een kleine helft van de bevolking een toestel bezat werd nog zeventien procent van de vrije tijd aan lezen besteed. […] In 1975, toen de televisie overal was ingeburgerd werd nog dertien procent van de vrije tijd aan lezen besteed. […] Tussen 1975 en 2000 verminderde het aandeel van dertien tot acht procent”, aldus Knulst.

 

Maar hoe zit het met de hedendaagse leesbehoefte? Uit de bijgeleverde tabellen van het CBS (achterin deze map) kunt u zelf een conclusie trekken. Het gaat om de tijdsbesteding in uren per dag, uitgesplitst naar geslacht en leeftijd in uren (tabel 1) en Mediagebruik, uitgesplitst naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau in procenten van de totale bevolking (tabel 2). Als u zich niet laat verblinden door de reeksen getallen zult u zien dat er in de perioden nauwelijks iets is veranderd, in geen enkele groep. De leesbehoefte blijft dus al een jaar of acht min of meer gelijk en is niet (meer) onderhevig aan afkalving. Ook niet door de opkomst van het internet.

 

De groep van een ruime 60% die geregeld een dagblad leest, groeit niet, en wordt de laatste jaren dus ook niet kleiner, de vergrijzing ten spijt. De vraag is of dit een tijdelijke stop is, of het begin van een tendens dat de ontlezing (al dan niet als gevolg van de nieuwe media) zijn dieptepunt gehad heeft. Ik vermoed dat het te maken heeft met de aard van bevolkingsopbouw. Lezen is een bezigheid war je rust voor moet kunnen nemen. ‘De jeugd’ heeft nu eenmaal over minder rust dan de gemiddelde babyboomer (‘het ongeduld van de jeugd’). Dit is een van de voornaamste redenen waarom lezen vooral een hobby is van mensen op middelbare leeftijd en ouder (ook een conclusie van Knulst). Hiervan komen er de komende jaren steeds meer. Bovendien gaat deze groep ook meer lezen, de babyboomers gaan massaal stoppen met werken (voor zover dat nog niet gebeurt).

 

De groep lezers zal dus - tijdelijk - groeien, totdat de babyboomers en masse het loodje leggen. De vraag is of er daarna een nieuwe (kleinere) generatie opstaat die de positie overneemt. Daarom proberen kranten nu al de volgende generatie te scouten en aan zich te binden. De krant moet verjongen. Een probleem daarbij is de oudere lezer die niet mag worden afgeschrokken. Een nog groter probleem is dat kranten eigenlijk niet weten wat er nu concreet moet veranderen om jonge lezers te trekken.

 

De strijd om de jonge lezer

Niet alle kranten merken het gebrek aan jeugdige lezers in hun lezersonderzoeken. Metro en Spits bijvoorbeeld, worden (doordat ze gratis zijn waarschijnlijk) dagelijks door heel veel jeugdigen – veelal studenten en middelbare scholieren – gelezen.

 

Jelle Leenes betoogt in ‘De lastige lezer’:

“Jonge lezers geven vanwege de verpozing en luchtiger opmaak de voorkeur aan Spits. De Telegraaf-dochter is bovendien wat frisser van kleur dan het doorgaans saaier en ietwat zwaarwichtig overkomende groen van de concurrent. Overigens is ook bij Metro een nieuwe meer eigentijdse lay-out aan de orde. […] En uit de onderzoeken blijkt ook dat Metro en Spits in de beleving van veel mensen een aparte categorie ‘leesvoer’ vormen. Je hebt de traditionele kranten, landelijk of regionaal, en de gratis kranten.”

 

In mijn beleving sluit het lezen van de Metro of de Spits in veel gevallen het lezen van een kwaliteitskrant uit. “Alles staat erin”, zei mijn bloedeigen vader onlangs, “en dat voor niets! Als mama niet zo aan de Volkskrant gehecht was zegde ik het abonnement op.”

 

Niet dat mijn vader nu direct tot de jongere lezers mag worden gerekend – hij is dit jaar 54 geworden –, hij vat wel de denkwijze samen die een krant als Metro of Spits tot een succes maken. Hun kosteloosheid en het relatief gladde, frisse uiterlijk van de tabloidkranten zijn hun belangrijkste selling points (overigens een rare term voor gratis kranten). De gedachte dat ‘alles erin zou staan’ is een misvatting.

 

Lang niet alles staat in de Metro of de Spits. Daar waar de kwaliteitskranten juist zo goed in zijn, door expertise van de journalisten, namelijk duiding, context en achtergronden, vindt men niet of nauwelijks terug in de Metro of de Spits.

De Metro en Spits zijn zogenaamde ‘newszines’: tabloidkrantjes die alleen vertellen wat er waar hoe gebeurd is. Zo min mogelijk waarom, nauwelijks voorgeschiedenis. Door de vele foto’s zijn ze herkenbaar, het verhaaltje wordt zichtbaar. De newszines brengen een praatje bij een plaatje hetgeen voor iedereen licht verteerbaar is. Kip met rijst en een kerriesausje. NRC Handelsblad is daarbij vergeleken een complete rijsttafel. En mensen in de trein zitten daar dus niet op te wachten. Die willen even snel happen.

 

Even snel happen

De Metro en de Spits durven harde keuzes te maken. Ze brengen een snelle nieuwskrant die door veel kleurenfoto’s en korte teksten gemakkelijk wegbladert. Mensen zijn visueel ingesteld. Adverteerders weten dat al jaren. Zie het succes van televisie, multimedia, fotografie. Metro en Spits zijn geen plechtstatige, chique krant zoals NRC Handelsblad. Ze bieden geen chique (dure!) achtergrondartikelen waarin de verhalen als een gebreide sjaal worden verteld. De elementen in het verhaal die de draden voor de sjaal vormen worden in de Metro en de Spits ontwart, recht gestreken en gewoon naast elkaar gelegd. Liefst met een foto’tje erbij.

 

De kwaliteitskranten hebben zich vergist. Het is niet het formaat van de Metro en de Spits die deze krantjes tot een succes maken (toegegeven, het is ‘handzaam’, maar er is ook minder ruimte voor de geliefde foto’s!). Het is de durf om de harde keuzes die nog zijn te maken. Het succes van het tabloidformaat is niet bewezen en het succes van kleur wel aldus de World Association of Newspaper editors (WAN).

 

Is dat dan de toekomst van de journalistiek? Bitesize stukkies poepen omdat de lezer, lui geworden van de tv, niet de moeite neemt om gewogen en kunstig geweven sjaals te lezen?

 

Voor een gedeelte is dat inderdaad de toekomst ja. Het succes van Spits en Metro staat niet op zich. Op internet wemelt het van de newszines, denk aan het enorme succes van een site als nu.nl en fok.nl, die elke dag door duizenden jongeren worden bezocht. Even snel, tussen de bedrijven door headlines scannen en eventueel ’s avonds het journaal (niet het acht uur journaal, want dat is tegelijk met GTST). Kranten zullen hierin mee moeten gaan willen ze in de toekomst het hoofd boven water moeten houden. Sterker nog: kranten zullen dat gaan doen aangezien ze in de toekomst door deze zapgeneratie gemaakt zullen gaan worden!

 

Nu al liggen de actieplannen om bijvoorbeeld het NRC Handelsblad hapklaarder te maken op de plank. De krant moet in de toekomst veel meer gebruik gaan maken van zogenaamde entry points: waar komt de lezer de pagina of het verhaal binnen? Bij de kop? Bij de dragende foto? Bij de lead? Bij het vetje? Als NRC Handelsblad wil blijven verkopen, moeten ze meer doen met een soort magazineachtige trucs om lezers het verhaal binnen te lokken. Kleur. Kadertjes. Foto’s.

 

NRC Handelsblad heeft niet op elke pagina kleur. Dit is druktechnisch onmogelijk. Ik zeg: zoek een nieuwe drukker. Koop desnoods drukpersen die dit wel kunnen. Verhuis ervoor naar Amsterdam, Oslo of Kingston als dat nodig is.

 

NRC Handelsblad blijkt in het derde gemaakte compacte krantje deze keuzes niet te durven maken. In plaats van het ochtendblad voor de NRC Handelsblad doelgroep – die geen genoegen neemt met Spits of Metro – verscheen min of meer dezelfde krant op kleiner formaat. Wat vreemd is, aangezien de altijd zo kritische redactie kennelijk moeite heeft met zelfreflectie. Het is overigens nog geheel de vraag of de compacte ochtend NRC er ooit zal komen. En als die komt, hoe lang die zal blijven.

 

Daar komt een derde, hierboven al kort aangestipt punt bij. Het succes van het formaat is nooit bewezen. In het artikel ‘Tabloid, schmabloid’, verschenen op http://www.newsdesigner.com/archives/000518.php, veegt Alan Jacobson de vloer aan met de ‘tab conversion’.

 

“Fughedabowdit”, aldus de president van Brass Tacks Design, een toonaangevend ontwerpbureau voor kranten. Vergeet het maar. Volgens Jacobson willen adverteerders (die in de States 85% van de inkomsten bepalen) liever een broadsheet krant.

“How do I know? Because that's what readers and advertisers tell me. Before beginning a redesign in any market, I interview readers and advertisers to learn their preferences. They say tabs are fine for targeted products, but not the core product. Advertisers prefer the larger size. Readers cite the tabloid stigma.
But enough of this nonesense about calling this format "compact" rather than "tab," because tab has the "tabloid" stigma. What did Shakespeare say? That which we call a rose by any other name would smell as sweet ...? Frankly, I think these kinds of euphemisms smell.
Want more proof? Look at the one tab conversion Mario's company directed in this country. The results were so bad that the paper was sold just a couple years after the new tab design was launched.”

Over gratis kranten zegt hij letterlijk dat het een slechte zaak is voor een industrie wanneer ze hun product moeten weggeven om het aan de man te brengen.

Jacobson staat niet alleen in de discussie over tabloidkranten. De WAN (World Association Of Newspaper Editors) is zoals gezegd ook al niet overtuigd dat het formaat het succes van een krant bepaalt.

 

Een ander argument komt uit de mond van Javier Errea, directeur van het Spaanse gedeelte van SND:

“When all the newspapers go to tabloid, what it will happen later? Change them back to broadsheet again? And later again?”

 

The Independant, een Engelse kwaliteitskrant die de conversie naar ‘tab’ maakte, had volgens Errea weinig tot niets te verliezen. (Hieraan zou ik willen toevoegen: net als het Parool in Nederland? Of misschien zelfs de Trouw?)

 

De aard van het verhaal

Zal, doordat de doelgroep wordt bijgesteld naar jongere lezers, de aard van het journalistieke verhaal veranderen? Hiermee bedoel ik niet de eerder genoemde opzet van gebreide sjaal naar iets anders, maar de ware kern van waar kranten op draaien.

Het antwoord hierop is naar alle waarschijnlijkheid: ‘ja’.

 

Jongeren lezen het liefst human interest verhalen, opmerkelijke nieuwsfeitjes en vreemde voorvallen. Kijk op fok.nl en vergelijk de inhoud met NRC Handelsblad. De kranten teren juist op harde nieuwsfeiten. “Al dat obligate nieuws”, heb ik Rob Biersma, eindredacteur bij van NRC Handelsblad, eens horen verzuchten. “Pff, wat een saaie dag.” Rob Biersma mag bijna met pensioen. Als die nieuws al saai begint te vinden kun je er helemaal donder op zeggen dat het aantal ‘vetjes’ in een krant zal toenemen.

 

De aard van het journalistieke verhaal zal veranderen. Niet alleen qua onderwerpkeuze, maar vooral van toon. Een van de grootste verschillen tussen een krant als Metro en het NRC Handelsblad in hun berichtgeving is de toonzetting. NRC Handelsblad heeft een zakelijke, bijna statige toon, een oude heer die zijn kleinzoon vertelt over hoe de wereld werkt. De jeugdige krantenlezer zit hierop niet te wachten. Nog afgezien van het feit dat verreweg de grootste groep niet-lezers het lexicon van de krant niet eens begrijpt, willen jongeren de stukken ‘gewoon’ niet op die manier lezen. Het NRC Handelsblad zal zich verweren met het logische argument dat ze een HBO+ krant zijn en met die groep dus niets te maken hebben. Maar als de krant werkelijk op zoek is naar groeimarkten – en gezien de experimenten met compacte kranten zijn ze dat – zullen ze binnen hun eigen HBO+ segment weinig mogelijkheden vinden.

 

Een van de groeimarkten voor NRC Handelsblad is de groep vrouwen. De Nederlandse samenleving bestaat volgens het CBS nog altijd meer uit vrouwen dan mannen (tabel 3) terwijl de NRC meer door mannen wordt gelezen dan door vrouwen.

Vrouwen lezen het liefst vrouwenverhalen. Human interest, over gezondheid bijvoorbeeld. Neem het katern Vrouw, in het Algemeen Dagblad. Specifiek gerichte vrouwen verhalen geschreven voor vrouwen. Daaraan kan het NRC Handelsblad een voorbeeld nemen. Dit zijn niet mijn woorden, maar min of meer die van een der adjunct-hoofdredacteuren van NRC Handelsblad wiens naam ik even ben vergeten.

 

Het is nog maar geheel de vraag of NRC Handelsblad wel van toon kán veranderen. Aangezien de compacte krant wordt volgeschreven met stukken uit de avondkrant van de dag ervoor plus al het harde nieuws wat ze nog mee kunnen nemen, is de compacte versie dus eigenlijk niets meer of minder dan een surrogaat avondkrant. Afgezien van de morele kwestie of je mensen met een goedkoper abonnement eerder van nieuws mag voorzien dan de betalers van het volle pond kun je je afvragen of het wel een verstandige zet is om dezelfde verhalen aan een wezenlijk ander publiek te verkopen. Voor de compacte krant is zeker een andere toon nodig om te verkopen.

 

Er is nog een derde reden waarom de aard van het journalistieke verhaal – buiten de genoemde invalshoek verandering en toonzetting – zal veranderen en dat is de mogelijkheden van internet. Immers, van monitoren lezen is ook lezen. De derde, en belangrijkste groeimarkt van de krant is het internet.

 

Multimediaal ondernemen

“Clearly, young people don't want to rely on the morning paper on their doorstep or the dinnertime newscast for up-to-date information; in fact, they—as well as others—want their news on demand, when it works for them.”

 

Schrijft de Carnegie reporter (http://www.carnegie.org/reporter/10/news/index.html) in hun artikel ‘Abandoning the news’. Ze hielden een enquête onder jonge lezers (18 tot 34 jaar) waaruit blijkt dat de voornaamste bron voor dagelijks nieuws het internet is (44%), tegen 37% televisie (en kranten slechts 19%). Met een nog altijd toenemende groep internetters die gebruikmaken van breedbandinternet zal dit percentage in toekomst alleen maar groeien.

 

Dit gaat in de toekomst de aard van het journalistieke verhaal aanmerkelijk veranderen; ja zelfs de aard van de journalistiek zelf. Die verandering is fundamenteel en alomvattend want het is een verandering in de kern van de lezer.

 

“Young people are more curious than ever but define news on their own terms,” says Jeff Jarvis, who is president of Advance.net, a unit of Advance Publications, and who publishes a widely read blog, Buzzmachine.com. “They get news where they want it, when they want it. Media is about control now. We used to wait for the news to come to us. Now news waits for us to come to it. That's their expectation. We get news on cable and on the Internet any time, any place.”

 

Met andere woorden, het door Joost Divendal als voornaamste selling point van de krant aangemerkte onstilbare honger naar nieuws en actualiteit zou juist wel eens de ondergang van de krant kunnen betekenen wanneer kranten zich niet op tijd aanpassen. Vooralsnog gebruiken kranten het internet als middel om surfers een papieren abonnement aan te smeren in plaats van de volledige mogelijkheden van het internet volledig te benutten. Kranten laten op internet, in deze groep mensen, grote kansen, sterker nog: essentiële kansen liggen omdat, zoals Divendal illustreert, ze niet begrijpen hoe jongeren denken, wat ze vinden en vooral: hoe ze wat en wanneer tot zich willen nemen. De krant moet van aanbieden overgaan tot gevraagd worden, een overstap die ze vooralsnog niet lijken te kunnen maken.

 

Ik wil daar graag op persoonlijke titel het volgende – zorgelijke – punt aan toe voegen. Behalve mijn journalistieke vrienden ken ik weinig goed geïnformeerde twintigers. Het is een trieste conclusie die ik trek als ik zeg dat mijn PABO- of CALO-kennissen niet of nauwelijks kunnen meepraten over de actualiteit. Over GTST wel. Ze lezen geen krant, kijken nauwelijks naar het journaal en lezen geen boeken. Ze vinden dat ik heel veel weet. Wanneer ik, gevleid maar bescheiden zeg dat dit reuze meevalt en dat er een heleboel mensen veel meer van veel meer afweten dan ik (waarmee ik impliciet zeg dat ik niet slim, maar zij gewoon veel dommer zijn dan ik), vragen zij zich af wie dat dan zijn.

 

Uit het stuk van Carnegie Reporter komt hierover de volgende zinsnede waarin ik veel uit mijn eigen ervaring herken:

 

As David Mindich, author of Tuned Out: Why Americans Under 40 Don't Follow the News (Oxford University Press, 2004) concluded in a recent interview on an industry web site that today's young citizens “are still just as thoughtful, intelligent—and I would argue, literate—as ever before. What has changed is that young people no longer see a need to keep up with the news.” Says Mindich in his recent book: “America is facing the greatest exodus of informed citizenship in its history.”

 

Waar het precies door komt weet ik niet, maar ik zie een duidelijk verschil in mijn kennissenkring in gesprekskeuze. Als ik per ongeluk de onderwerpen door elkaar haal zit ik met Mirjam te praten over de inmiddels overleden schrijver Saul Bellow en met Eva over de laatste mode bij Mango, met als gevolg dat ik door twee lieve meisjes wordt aangekeken alsof ik het in Keulen doe donderen. Ik stel mij dan ook een extra vraagteken bij Divendals uitspraak dat de hang naar nieuws universeel is. Misschien geldt dit niet voor meisjes als Mirjam, die niet eens weten wie Saul Bellow is, omdat ze niet lezen maar liever winkelen. Het zal in de toekomst voor de journalistiek – en de krant in het bijzonder – een grote uitdaging worden om bij deze lieden bij hen te betrekken.

 

Op het internet is de grootste hausse de zogenaamde ‘blog’, een soort internetdagboek. Min of meer iedereen van betekenis heeft er al een – denk aan onder andere Martin Bril (de Volkskrant), Gerrit Zalm (VVD) en Wim de Bie (VPRO). NRC Handelsblad startte dit jaar met een politiek weblog dat door de redactie wordt bijgehouden. De NOS ‘blogte’ hevig in de tijd dat in Amerika de verkiezingen heet nieuws waren en de Volkskrant heeft er al een sinds 2002. Maar de echte weblogs, zoals http://www.fok.nl, http://www.geenstijl.nl en http://www.retecool.com trekken veel meer lezers.

Hoewel veel serieuze journalisten een weblog bijhouden is ‘bloggen’ niet hetzelfde als serieuze, traditionele journalistiek. Een weblog is meestal een persoonlijke beschouwing van een gebeurtenis. Obectieve bespiegelingen treft men zelden aan. En de jeugd slikt het als warme broodjes.

Als dit de nieuwe trend is op het gebied van internetjournalistiek – momenteel onderverdeeld in grofweg de categorieën weblog, nieuwsportaal (kranten.com, yahoo.com, msn.com, e.v.a.), nieuwssites (nu.nl, nieuws.nl, e.v.a.) en internetmagazines (slate.com, salon.com, e.v.a.) – dan lijkt mij dat een teken aan de wand: men bepaald zelf wel wat de waarheid is.

 

Ik ben geen psycholoog, maar signaleer niet alleen bij mijzelf maar ook bij veel generatiegenoten een attitude waarin onafhankelijkheid en de eigen keuze het belangrijkst is. Ik wil niet door een journalist vertelt krijgen wat de waarheid is, ik wil die zelf bepalen. Hoewel ik dat het liefst doe aan de hand van objectieve berichtgeving, doen vele anderen dat liever door het vergelijken van de mening van anderen. Of dit komt doordat men het moeilijk vindt om zelf te bepalen wat ze vinden als ze de mening niet hapklaar krijgen aangereikt en ze zich allen maar hoeven af te vragen of ze het ermee eens zijn of niet weet ik niet.

 

Froukje Santing, NRC Handelsblad journaliste en sinds kort lid van de Raad voor de Journalistiek leerde mij dat het vaak helemaal niet belangrijk is wat je vindt of waar je staat. Laat de feiten maar voor zich spreken, meer hoef je niet te doen. Hoewel Froukje Santing natuurlijk gelijk heeft (leermomentje), is de generatiekloof wel duidelijk.

Het NRC Handelsblad bewijst deze stelling overigens zelf door een groot maandagprofiel te wijden aan ‘de nieuwe opiniemakers’, waaronder enkele weblogs. De grootste vraag die Mark Duursma (een van de schrijvers van het stuk) tijdens de lunch stelde was: “Wat is dat toch, dat de jeugd maar constant overal een mening over op na wil houden, en dit ook wil publiceren?” Mijn vraag was waarom hij het nodig vond om te publiceren, maar hij wees me erop dat er een duidelijk verschil zit in wat hij schrijft en wat geenstijl.nl schrijft. Waarom wil de jeugd een mening ventileren? Een interessante vraag. Maar meer voer voor psychologen en sociologen dan voor aankomend journalisten.

 

Terug naar de kern van de zaak: de krant is een product dat in populariteit afneemt. De krant is een onderneming, een product, net zoals kaas of vis. Alleen heef het een kortere houdbaarheidsdatum.

Websites hebben geen houdbaarheidsdatum. Met een klik op de ‘edit’-knop in het ‘Content Management System’ maak je een bericht weer actueel. Voeg je nuance toe. De omlooptijd van een website bestaat niet. Als er een bericht is, kan het online. Als er nieuwe ontwikkelingen zijn, kan het erbij. Maar dit is nog maar een van de kleine voordelen. De ware kracht van het internet is hem in het clusteren van verschillende vormen van media. De ware kracht zit hem in beeld, geluid, internet tv, internet radio, internet strips, en natuurlijk de bereikbaarheid van dit alles. Via allerhande draadloze protocols is het mogelijk per telefoon het laatste nieuws, weerberichten en allerhande andere informatie op te halen, waar je ook bent, wanneer je maar wilt. Men zal er gebruik van maken, al is het alleen maar omdat het kan.

 

Toekomstperspectieven

En nog is dit niet alles. Ik zal mij niet lang à lá Asimov, Wells of Orwell over een toekomst uitlaten, maar wie zegt mij dat het hierbij zal blijven? Elke twintig / dertig jaar lijkt er een medium bij te komen als concurrent voor de krant. In de jaren ‘20 was dit de bioscoop met het polygoonjournaal, in de jaren ’30 de radio, in de jaren ’50 de televisie, in de jaren ’70 de kleuren TV en in de jaren ’90 het internet. Welk medium komt er over tien jaar bij? Wat zullen hier de mogelijkheden van zijn? En over dertig jaar?

 

Heeft Joost Divendal als hij zegt dat de krant het eeuwige leven heeft? Ik waag eraan te twijfelen. Kranten zullen in de vorm zoals ze nu bestaan kapot gaan. Kranten moeten nieuwe manieren vinden om jonge lezers te vinden die weer een interesse hebben in nieuws en actualiteit, en de tabloidvorm op zich is niet afdoende. Kranten moeten zich niet alleen op nieuwe markten gaan richten, de aard van de journalistiek zal moeten veranderen. De markt voor hen die een objectief verhaal willen wordt simpelweg te klein voor al deze groepen. De fusie tussen het AD en de Wegenerkranten is dan ook symptoombestrijding: ik voorspel u dat ze over tien jaar precies dezelfde situatie hebben als nu.

Schaalvergroting is het gevolg: als de zee kleiner wordt, zullen grote vissen de kleine opeten. In Nederlands bestaat weliswaar wetgeving om de pluriformiteit van de media (een groot goed) te waarborgen, maar wat zal er gebeuren als een krantenconcern failliet gaat? Overheidssubsidie om de boel te redden? En de onafhankelijkheid van dat medium dan? Misschien ben ik cynisch – of zelfs socialistisch - , maar de wetten van het kapitalisme zijn dwingender dan die van de wetgevende macht.

 

Schets ik een inktzwart toekomstbeeld? Volgens mij valt dat best mee. Verandering hoeft helemaal niet slecht te zijn. De oerconservatieve journalistiek moet zich realiseren dat de vooruitgang niet te stoppen valt. De wereld verandert daarvoor gewoon te veel, te snel. De kranten hebben dertig jaar geleden de slag al gemist met de komst van de tv. Die fout moeten we niet weer maken.

 

Waar ik bang voor ben, is dat ik over tien / twintig / dertig / … jaar geen Volkskrant, NRC Handelsblad of Trouw meer kan kopen omdat deze simpelweg niet meer rendabel zijn en voor mijn nieuws ben aangewezen op de headlines van nu.nl. Want de expertise van de redacties van deze kranten is te groot om te verkwanselen, en dat gebeurt als we niet oppassen. Moeten de papieren kranten lokkertjes worden voor een website met uitgebreidere informatie, met recenter nieuws en met allerhande andere foefjes en trucs als beeld en geluid? Misschien wel.

Moet de toon in kranten veranderen? Meer duiding, achtergrond en human interest tegen minder nieuws? Misschien wel.

Ligt de toekomst bij e-papers, waarmee in de VS al wordt geëxperimenteerd? Wie weet.

Moet de journalistiek keuzes gaan maken die de aard ervan tot in het fundament zullen veranderen? Zeker weten. Stilstand is achteruitgang.

 

Zoals Rupert Murdoch speechte op 13 april 2005 tijdens een symposium van The American Society of Newspaper Editors:

 

“Scarcely a day goes by without some claim that new technologies are fast writing newsprint’s obituary. Yet, as an industry, many of us have been remarkably, unaccountably complacent. Certainly, I didn’t do as much as I should have after all the excitement of the late 1990’s. I suspect many of you in this room did the same, quietly hoping that this thing called the digital revolution would just limp along.
Well it hasn’t … it won’t …. And it’s a fast developing reality we should grasp as a huge opportunity to improve our journalism and expand our reach.”

(De volledige speech is terug te vinden op: http://www.newscorp.com/news/news_247.html.)


gepost door: daniel_hoenderdos op 08:20 | | | essay, binnenland

Het zenit en de regen

 Sandra wist niet wat ze met deze jongen aanmoest. Hij was scherpzinnig, vriendelijk en ze was verliefd op hem geworden. Hij zag er goed uit, was sportief en een begaafde student theaterwetenschappen. Hij rookte niet. Wat kon ze nog meer willen?
Sandra zocht naar de fysieke erkenning van haar liefde. Ze wilde bevestigd worden, intimiteit. Hij raakte haar zelden of nooit aan en ze hadden nog niet eens gezoend. En toch hadden ze al vier maanden afspraakjes.

Sandra was ervan in de war. Zo oud als ze was, 24, wist ze een ding zeker. De meeste mannen waren oppervlakkige macho’s die eigenlijk alleen maar met haar wilden seksen. Soms ging ze daarin mee, meestal niet. Ze was meer een vrouwenmens, die begreep ze beter. Vrouwen met geslachtsdrift waren overigens nog veel erger, maar het was in elk geval een geilheid die ze begreep. De mannelijke drang naar penetratie was iets waar Sandra zich al sinds ze zich kon herinneren niets van had begrepen. De drang om gepenetreerd te worden, herleidde ze naar haar eigen drang naar intimiteit, die ze abusievelijk universeel achtte voor alle vrouwen. Bij vrouwen waren het uitwassen, extremen, bij mannen was het een uitwas om het niet te hebben. Peter was kennelijk zo’n extreme man, ogenschijnlijk zonder geslachtsdrift, het was hem niet om haar lijf te doen. Dit maakte dat zij hem des te liever met hem wilde vrijen.

Vanavond kreeg ze onverwacht de kans toen hij haar na het uiteten uitnodigde wat bij hem thuis te gaan drinken. Dat was toch date-code voor een zweterig onderonsje?
Toen ze op de bank zaten – zij een rumcola, hij een glas Schotse whisky – pakte ze zijn hand en kuste hem op de mond. Hij wendde zijn hoofd af en stond verschrikt op.
“Wat is er nu?” vroeg ze beledigd. Ze voelde zich dom en afgewezen. Hendrik zweeg.
“Wil je me niet?”
Hendrik zweeg en keek naar buiten. Sandra stond op en liep naar de deur.

“Waarom heb je me dan uitgenodigd?” vroeg ze pinnig toen ze haar jas van de kapstok griste. Ze was verdrietig, ze was verliefd en wanneer je verliefd ben voelt alles intenser. Ze strekte haar hand uit naar de deurknop toen Hendrik zei: “Ik weet niet waar ik moet beginnen.” Sandra bleef staan, haar hand nog altijd uitgestoken naar de deurknop. Tijdens de gevallen stilte keek ze over haar schouder naar Hendrik. Hendrik keek naar buiten. Achter de drie dunne plaatjes glas van het appartement druppelde de regen. Sandra vond hem er intens triest uitzien.

 “Hoe bedoel je?” vroeg Sandra niet-begrijpend. Hendrik haalde zijn schouders op.
“Ik heb eenmaal iemand liefgehad”, zei hij daarna ernstig.
“Eenmaal in mijn leven. Het was een meisje dat Iris heette.” Sandra zweeg. Ze had nooit van Iris gehoord. Ze kende Hendrik nu vier maanden.
“Iris was perfect. Ze was voor mij het bewijs dat Aristophanes gelijk had.”
“Aristophanes?” vroeg ze terwijl ze haar jas terug hing aan de kapstok.

Hendrik draaide zich om en keek Sandra aan met een blik waar ze van schrok. Zijn grijze ogen stonden even waterig als het weer. Eruit sprak een vermoeide leegheid die ze niet kon plaatsen. Ze wendde haar blik af.
“Plato vertelt in Symposion over een bacchanaal tussen enkele grote filosofen waaronder ook Socrates en Aristophanes”, begon Hendrik op belerende toon. Sandra had nog veel leren.
“Wat is een bacchanaal?” interrumpeerde ze.
“Een drinkgelag”, zei Hendrik een tikkeltje minachtend. “Bacchus was de Romeinse god van de wijn.”
“Maar Plato was toch een Griek?”

“Ja”, zei Hendrik geërgerd, “maar bacchanaal is een latinisme en als je niet weet wat dat woord betekent, zoek je het maar op in een woordenboek. De Griekse God van de wijn was trouwens Dionysos. Zal ik verder gaan of heb je liever een hoorcollege klassieke mythologie?”
Sandra schrok van zijn vijandigheid. Hij had zich niet eens omgedraaid, hij schreeuwde ook niet. Ze reageerde niet. Hendrik vervolgde.

“Ze besluiten ieder een rede te houden op Eros, de God van de liefde. Aristophanes zegt dat de mensen vroeger een bolvormig geheel vormden met vier armen en vier benen, die beide geslachten in zich verenigden. Zij waren nogal arrogant en kennelijk kwam in het oude Griekenland hoogmoed ook al voor de val want Zeus sneed de oermensen doormidden, de rotzak. Sindsdien zijn wij op zoek naar onze wederhelft.”
Sandra zweeg en liet zijn woorden even op haar inwerken. Ze was terug gelopen naar de bank en gaan zitten. Achter haar stond Hendrik. Af en toe keek ze over haar schouder naar zijn gekromde rug.

“Dus Iris was jou wederhelft?” vroeg ze toen ze ging zitten.
“Het was veel meer dan dat.”
Sandra nam een grote slok rumcola. Ze miste een citroentje, maar zei er niets van. Hij had ze toch niet in huis.
“Hoe dan ook”, vervolgde Hendrik, “Iris was voor mij de bevestiging dat ik kon liefhebben, en liefgehad kon worden. Ze was een tijdlang mijn wereld. Met Iris had ik de beste gesprekken, maar ik herinner mij levendig de vierde date waarbij we nauwelijks iets hebben gezegd. In de stilte lag meer bevestiging dan in alle woorden van alle talen.” Hendrik sprak altijd een beetje plechtig, zoals de karakters in de toneelstukken die ze bestudeerden. Hendrik ergerde zich aan de taal in toneelstukken, dat was schrijverstaal, zei hij, geen mensentaal. Dus sprak hij in proza, om de toneelstukken realistischer te maken. Zij vond dat wel grappig. Hendrik had zich weer omgedraaid, en stond met zijn handen in zijn zakken een beetje voorovergebogen, de rug iets gekromd, zoals Quasimodo maar dan zonder de bochel, naar buiten te staren. Zijn blik was wezenloos, Sandra kon zijn heldere ogen in het glas zien.

 “Ik was negentien en zij was achttien. We kenden elkaar van de verjaardag van een gemeenschappelijke vriend. Om ons heen waren allemaal stelletjes, iedereen had vriendjes of vriendinnetjes en wij hadden niemand. Ik durfde de hoop op liefde nog niet los te laten, maar voelde me langzaam steeds radelozer worden. Er was niemand die van mij hield, en minstens zo erg: ik hield ook van niemand. Ik hunkerde naar een vrouw die ik kon liefhebben, zoals wij allemaal hunkeren naar Aristophanes’ wederhelft. Ik voelde me vreselijk eenzaam, onbegrepen en steeds minder achtte ik mezelf in staat dat gevoel van me af te schudden. Ik kreeg zelfs het idee dat ik niet instaat was tot het geven en ontvangen van liefde, dat ik simpelweg er de middelen niet voorhad. Alsof liefde zoiets was als een telefoongesprek, en dat mijn simkaart geblokkeerd was.” Hendrik vertelde op een monotone toon, bijna zonder intonaties. De enige moeite die hij nam was het juist benadrukken van de klemtonen.

“Die avond was een vreemde avond. Met Iris klikte het, zoals nog nooit iets eerder geklikt had. We kregen verkering, al weet ik nog steeds niet precies hoe. We woonden allebei nog thuis, ik ging naar school, zij werkte. Ze zou een jaar gaan reizen. Naar Afrika geloof ik, maar ze twijfelde nog. Misschien toch naar Nepal. Ze wist het nog niet. Drie maanden nadat we elkaar leerden kennen ontmaagdde ze mij. Ze was mooi. Slank, bruin haar, kleine borsten. Haar buikje was schattig, ze had er sproetjes, en een moedervlekje in haar lies. Zij had het al eerder gedaan. Ik was nog nooit zo intiem met iemand geweest. Seks is iets wonderlijks.” Even hield hij stil om zijn woorden te kiezen.

“Toen ik maagd was ervaarde ik de liefde als iets heel rationeels. Liefde moest vooral hoofs zijn, puur en zonder platte bijbedoelingen. Iris leerde mij ook met mijn lijf lief te hebben. Tijdens die eerste keer was ze heel geduldig met me, ik stuntelde met het bh’tje, ik kon niet eens fatsoenlijk kussen laat staan lekker vrijen. Ik kon niets op eigen initiatief, daarvoor was ik veel te schuw. Lust was altijd weggedrukt, zoals ik altijd alle gevoelens had weggedrukt omdat ik me ervoor schaamde en vooral omdat ze vaak in de weg van mijn verstand zaten. Het leven had ik altijd empirisch benadert: probleem, hypothese, proefje, klopt, klopt niet. Gevoelens achtte ik daarmee strijdig. Met haar lijf dwong ze me in te zien hoe kortzichtig en onhoudbaar dat eigenlijk was. Pas na die eerste keer ben ik echt gaan leven.”

Sandra herinnerde haar eerste keer, op een camping in Italië, met Giovanni. Ze was veertien. Het was warm geweest die dag. Giovanni had ze in het zwembad ontmoet. Ze hadden met een bal gespeeld, hij was een jaar of zeventien, achttien. Die avond had ze met haar ouders een pizza gegeten in het restaurant op de camping. Toen ze haar tanden ging poetsen was Giovanni ook in het toiletblokje geweest. Hij had haar gewenkt, en zij was gegaan. Het had pijn gedaan, Giovanni was ruw geweest. Hij had haar niet nat gemaakt en in haar borsten geknepen als een slager die de malsheid van zijn pastrami wil onderzoeken. Al die tijd waren er andere mensen in het toiletblokje aanwezig geweest, en uit schaamte had ze niets gezegd. Niet dat ze dat had gekund want ze sprak geen woord Italiaans.

Pas vier jaar later durfde ze zich weer aan iemand te geven, maar daarvan wist ze niet veel meer omdat ze toen dronken was. Hendrik’s verhaal deed haar pijn. Zijn tedere openbaring had zij willen hebben. Hendrik keek naar buiten. Sandra had haar glas leeg. Dat van hem stond onaangeroerd. Sandra hing aan zijn lippen. Bij elke pauze die hij even nam om te recapituleren, om na te denken, om te formuleren, wilde ze het verhaal uit hem trekken. Maar ze zweeg, en keek af en toe in het vensterglas naar zijn gezicht. Hij keek dwars door haar heen in de spiegeling en zag slechts plassen op de stoeptegels.

“Wil je wat drinken?” vroeg hij plots en draaide zich om. Sandra vroeg zich af hoe hij wist dat haar glas leegwas. Ze knikte enkel en hij maakte een rumcola voor haar klaar. Zelf pakte hij zijn glas van de salontafel. Hij ging op de bank zitten.
“Gaat het?” vroeg hij. Sandra knikte. Hendrik knikte en vervolgde nadat hij een slok van zijn whisky nam.

“Een maand of wat daarna werd ze zwanger. Dwars door de pil heen. We hadden ons allebei laten testen en we waren niet ziek. De pil is ook niet honderd procent betrouwbaar. Wisten wij veel, we waren jong, verliefd en het scheelde een hoop geld. Ze nam de pil toch, voor haar cyclus, bovendien werd die toen nog vergoed, dus dachten wij, zitten we redelijk goed. Niet dus. Paniek natuurlijk, want wat nu gedaan? Toen ze het mij vertelde zei ze dat ze bang was voor wat er ging komen. Ik zei haar: ‘Wat je ook beslist, ik sta achter je.’ In eerste instantie dacht ze dat ik bedoelde dat het mij niet uitmaakte wat we ermee zouden doen. Ze was zo van slag, zó in de war. Het deed me zeer haar zo te zien. Ik zei dat het me heel veel uitmaakte wat er zou gebeuren, maar dat zij de moeder was en zij degene was die al het werk moest doen. Dat viel natuurlijk ook verkeerd, dom gekozen woorden ook. Ze huilde en panikeerde. Zo kende ik haar niet, zij was juist de evenwichtige van het stel. Nu moest ik in die rol kruipen.

‘Ik heb je lief Iris’, zei ik, ‘vandaag, morgen, eeuwig. Dit is gebeurd, en we moeten naar voren kijken. We moeten beslissen wat we willen, maar als we het houden ben jij degene die het moet dragen, baren en zogen. Ik wilde dat het anders was, maar ik kan dat niet. Ik kan je er zelfs niet mee helpen. Ik kan erbij staan en je hand vasthouden, je te drinken geven als je dorst hebt, je baden als je vies bent enzovoorts, maar ik kan geen kinderen baren. Dus als je ervoor kiest om dat niet te doen, nemen we die beslissing met zijn tweeën. Je bent niet alleen, Iris, ik ben er, wat we ook beslissen.’ Ze vond dat ik de beslissing teveel aan haar overliet. Misschien was dat ook wel zo. Ik wilde haar alleen niet beïnvloedden. Zij wilde iemand die tegen haar zei: ‘Dit moet je doen.’ Die persoon kon ik niet zijn. Uiteindelijk zei ze dat we het misschien maar moesten houden. Dat vond ik ook, maar ik wilde dat niet als eerste zeggen. Gelukkig waren we het eens. Ik stopte met mijn studie rechten, dat schoot toch al een tijdje niet op, en ging werken bij een grote supermarkt. Zij gaf haar plannen voor Afrika - of Nepal, ze had nog altijd niet besloten – op. En samen gingen we op zoek naar een huisje in Amersfoort.”

Sandra keek om zich heen in Hendrik’s appartement. Hij was weer voor het raam was gaan staan. Ze vroeg zich af hoeveel van de spullen die er stonden nog uit die tijd waren. De salontafel misschien. Of het servies. De pannenset. Misschien zelf wel al die dingen.

Hendrik vervolgde: “We vonden er ook een. Twee kinderen kregen een kind en gingen samenwonen. Een sprookje eind jaren ’90. Het ging nog goed met de wereld, er was werk, we hadden geld. Zij had gespaard, ik werkte veertig uur. We kregen een starterwoninkje. Wooneetkamer, keukentje, twee slaapkamers en een studielogeerkamer plus een klein zoldertje. Ik denk dat ik toen gelukkig was. We hielden van elkaar. We hadden allebei onze dingetjes, we stoorden elkaar soms maar dat lieten we nooit merken en als we even wat ruimte nodig hadden konden we ons altijd even terugtrekken. ’s Avonds in bed kropen we altijd dicht tegen elkaar aan en voordat we gingen slapen was een kusje in de nek genoeg. Burgerlijk hé. Ik was krap 20. Toen al een ouwe lul.”

Sandra wilde zeggen dat Hendrik geen ouwe lul was, maar ze zei niets. Hij nam een flinke teug whisky. Buiten ging de regenbui over in mottig gepies.

“Op een dag kwam ik terug van mijn werk. Iris was hoogzwanger, het zal de achtste maand geweest zijn. Nog even, en ik kreeg vaderschapsverlof of hoe heet dat. Ik kwam binnen, via de keuken en riep ‘hallo!’. Er kwam geen antwoord hetgeen me niets verbaasde. Iris was waarschijnlijk een boodschapje doen. Misschien kocht ze op dat moment wel koekjes in de winkel waar ik net vandaan kwam. Was ik te vroeg weggegaan, hadden we samen kunnen fietsen. Ik had een functie van negen tot vijf, ik deed de bestellingen en hield voorraden bij, dat werk. Daar hadden ze me niet tot sluitingstijd voor nodig. Iris kwam me wel eens afhalen. Ik haalde me schouders op en zette thee. Half zes, theetijd.

Om zes uur had ik de thee op en was Iris nog steeds niet thuis. Net toen ik mij zorgen begon te maken ging de bel. Voor de deur stonden twee politieagenten…”
Sandra schrok op. Als in een trance had ze naar hem geluisterd. Hij dronk zijn glas in een grote slok leeg. Hij goot het naar achteren en draaide zich om. Over zijn wang stroomden de tranen. Buiten was het droog.

“Ze was aangereden door een dronken automobilist. Godverdomme om vijf uur, een dronken automobilist! De klootzak!” Hij smeet zijn lege glas tegen de muur aan de andere kant van de kamer. Het glas spatte in miljoenen stukjes uiteen. Het leek een kleine versie van de big bang. Sandra sprong op en wilde hem vastpakken, troosten, maar hij wendde zich af en duwde haar weg. Hij deed een poging zich te vermannen, schokte, en stond weer als bevroren, licht naar voren gebogen. Sandra stond theatraal, al even stil achter hem. Ze voelde zijn verdriet. Het was voor het eerst dat ze dit meemaakte, alsof hij een straalkachel van pijn was, of een hoogtezon. Zijn verdriet drong bij haar binnen, ze kon zich er niet tegen verzetten. De verliefdheid week niet, en de drang om hem aan te raken, te knuffelen, te plezieren werd groter dan ooit. Maar op de een of andere manier kon ze zich er niet toe zetten hem nu aan te raken. Ze kon alleen bewegingsloos kijken naar de haartjes in zijn nek, het vlekje in zijn kraag en zich verwonderen over dit vreemde fenomeen. 

“Mijn wereld was ingestort”, zei Hendrik apathisch na de stilte die Sandra urenlang scheen. Ze had onbewust iets afstand van hem genomen, alsof het de fysieke afstand tussen hen was die haar zijn verdriet ingezogen had.

“Het is zo vreemd: het ene moment staat je zon aan haar hoogtepunt, een zenit van liefde en geluk, en het andere moment is de nacht zwarter dan ooit. Geen maan, geen sterren, alleen maar het donkerste niets dat er bestaat. Ik kan niet eens een goede analogie vinden om het te beschrijven. Na haar begrafenis die ik mij niet meer kan herinneren omdat ik het in shocktoestand meemaakte (of eigenlijk niet meemaakte dus), heb ik een tijdlang niet gesproken. Ik nam mijn telefoon niet op. Ik deed alsof ik niet thuis was. Ik at niet. Ik kwam mijn bed nauwelijks uit. Op een dag kwamen vrienden van me langs, letterlijk om te kijken of ik nog leefde. Ze forceerden de deur en vonden mij in een stoel, ondervoed en zodanig verzwakt dat ik niet eens meer op kon staan. Ik weet zeker dat ze me die dag het leven hebben gered. En ik weet ook zeker dat zelfs toen mijn lichaam niet zo leeg was als mijn ziel.”

Sandra was weer op de bank gaan zitten. Langzaam maakte het gevoel van verdriet plaats voor een gevoel van intens medelijden. Haar ogen brandden, ze voelde hier en daar een eenzame traan een warm spoor over haar wang trekken. Ze kon alleen nog maar aanhoren.
“Die leegte vulde ik in de maanden die volgden met drank en sigaretten. Ik dronk veel. Ik weet niets meer van die nachten. Mijn vrienden zagen het aan, probeerden soms in te grijpen. Dan maakte ik ruzie. Ik heb verscheidene vrienden verloren toen.”
Sandra keek naar een nieuw glas dat was volgeschonken en nu alweer half leeg was.

“Ik had mijn baan verloren, het huis moest ik ook uit omdat ik geen rekening meer betaalde. Dat kon ik ook niet, want ik verdiende geen zak. Ik was twintig en mijn leven lag in de poeier. Ik had werkelijk niets. Ik was verlaten, en verlatenheid is de ergste van alle erge gevoelens. Verlatenheid. Ik was woedend. Woedend op de man die mijn lief vermoord had, woedend op God omdat hij mijn lief tot zich terug had genomen, woedend op de wereld, woedend op mijzelf. Niemand kon mij helpen. Alleen Iris, en die was dood. Aldus werd ik 21. Kapot, mijn lichaam, dat ik juist een beetje had leren kennen, verwoestte ik. Ik wilde dood en vervloekte mezelf omdat ik te laf was om het gewoon te doen. Ik had toch niets om voor te leven? Dus waarom maakte ik er geen einde aan? Ik wist het niet, en ondernam niets om het daadwerkelijk kapot te maken. Behalve heel veel te drinken. Ken je die film met Nicholas Cage? Iets met Las Vegas. Die gast probeert zichzelf dood te drinken. Ik ben vergeten of het hem lukt. Ik vermoed van wel. Ik weet zeker dat het kan.”

Sandra zag hoe hij zijn glas opnieuw volschonk. Ze had nog geen slok van haar drankje genomen.

“Op 25 maart 2003 kreeg ik een openbaring. Ik was dronken en was gestruikeld over mijn eigen benen. Terwijl ik languit op de straat lag, in een plas, met mijn hoofd naar beneden verscheen ze. Iris. Ze legde mijn hoofd naar links zodat ik niet zou verdrinken in nog geen 10 centimeter water. Ik weet nog exact wat ze tegen me zei.”
Hendrik draaide zich om. Buiten was het weer gaan regenen. Zijn ogen stonden nu fel, fanatiek haast. Hij praatte ook sneller, met hardere klanken.
“Ze zei: ‘Hendrik, waar ben je mee bezig? Wat doe je jezelf aan?’
‘Iris’, lalde ik.
‘Kijk nu eens naar jezelf, dronken boerenlul die je bent!’, riep ze kwaad. ‘Wil je soms dood?!’
‘Ja!’ schreeuwde ik. ‘Ja, ik wil dood, Godverdomme! Ik wil dood!’ Even was ze stil. Toen vroeg ze: “Wat denk je dat ik zou willen?’ Ik kon die vraag niet beantwoordden.
‘Denk je dat ik wil dat je doodgaat? Of dat je jezelf zo kapot maakt? Denk je dat ik wil dat jij jouw talenten zo te grabbel gooit?’ Ik zweeg. Ik schaamde me.
‘Juist omdát ik zo jong ben overleden is jouw plicht om er wat van te maken, jij dwaas. Snap je dat dan niet?’ Ik stond wankel op.
‘Wat wil je dat ik doe, Iris, zeg het me, en ik doe het voor jou.’ Iris keek me afkeurend aan. ‘Wat je ook kiest’, zei ze, ‘wat je ook kiest, ik sta achter je.’ Ik schudde mijn hoofd.

‘Ik heb je lief Hendrik’, zei ze, ‘vandaag, morgen, eeuwig. Wat is gebeurd, gebeurde nu eenmaal, en we moeten naar voren kijken. Je moet beslissen wat je wilt, en jij moet je leven leven, lachen en gelukkig worden. Ik wilde dat het anders was, maar ik kan dat niet. Ik kan je er zelfs niet mee helpen. Ik kan toekijken, je steunen en af en toe als beschermengeltje optreden, maar ik kan niet meer met je leven. Je bent niet alleen, Hendrik, ik ben er altijd en overal, en ik steun je, wat je ook beslist. Ik heb je lief. Maak er wat van!’ Toen was ze weg.”
Sandra huilde, maar Hendrik zag het niet.

“Ik ben die nacht voor het eerst naar haar graf gegaan. Daar ben ik gaan zitten en heb alleen maar gehuild. Ik wilde zoveel dingen tegen haar zeggen, maar het kwam niet. Net zoals die vierde date waren woorden eigenlijk ook niet nodig. De volgende ochtend werd ik daar wakker, doorweekt, stram. Even was ik bang dat ik een longontsteking zou krijgen. Net iets voor God om op die situatie eens een flinke bak ironie los te laten.” Met een plechtige stem vervolgde hij: “Net toen onze protagonist het leven weer accepteerde, werd hij ziek en stierf hij.” Sandra snikte. Hij hoorde het, maar negeerde het en vervolgde weer, maar nu rustiger: “Ik stopte die 26ste maart 2003 cold turkey met roken en minderde met drinken tot een sociaal acceptabel minimum. Ik pakte het hardlopen weer op, het werd lente. ’s Zomers besloot ik weer te gaan studeren. Theaterwetenschappen. De rest weet je zo ongeveer.”

Sandra had haar gezicht in haar handen, wreef de tranen van haar wangen, wist niet wat te doen. Ze wist niet langer of ze hem wilde omhelzen, kussen, troosten. Ze voelde de drang om omhelst te worden, geknuffeld en getroost. Snikkend zat ze op de bank. Hij zweeg en keek nog altijd door het raam naar buiten waar het inmiddels weer was gaan regenen.

“Wat een rot verhaal”, bracht ze uiteindelijk te berde. Hij zweeg bewegingsloos.
“Ik houd van je”, zei ze toen.
“Dank je wel.”
“Houd je ook van mij?”
“Misschien later.”
“Ik kan wachten”, zei Sandra en ze legde haar hoofd in zijn nek, en sloeg haar armen om hem heen. Hendrik zweeg en liet haar begaan. De regenbui ging alweer over in mottig gepies.


gepost door: daniel_hoenderdos op 09:01 | | | fictie

deze week wel een editie


gepost door: daniel_hoenderdos op 11:27 | | |

Lief weekjournaal,

De afgelopen week was een goede, trouw weekjournaal. Nu de zon wat vaker schijnt realiseer ik me pas echt hoe belangrijk dat is, en hoe karig we eraf komen in Nederland. Natuurlijk kan het altijd erger. In Polen is het nu nat. Daarom komen ze hier ook in de bouw werken. Als ik chroniqueur was, zou ik de afgelopen week minutieus beschrijven, met scherpe observaties en een literair randje. Maar dat ben ik niet, bovendien is het momenteel 8:13, is de kans dat ik in 2006 burgemeester van Zwolle word erg klein en heb ik nog geen koffie op. Vandaar een surrogaat overzicht van de week. Dit zijn zoal de bezigheden van een afstuderend student journalistiek anno 2005.

De week begon afgelopen woensdag met een fietstocht naar Arnhem alwaar René van de W. voor het nodige plezier zorgde. De zon scheen, de bloesems bloeiden, om een onsterfelijk poëet in wording maar eens te parafraseren. ’s Avonds schoten wij pool in het House of billiards. Donderdag harkte ik terug (wind mee). Eerst over de Veluwe, bij de bedriegertjes in Rozendaal omhoog, dan over smalle fietspaadjes en tenslotte bij Eerbeek er weer af. Over de IJsseldijk vanaf Wilp naar huis. Wind mee. Twee heerlijke fietsdaagjes, niets aan de hand. Vrijdag ging ik in Amsterdam Marije van der S. helpen.

Marije van der S. doet daar een opleiding tot filmregiseuse en ik had mijn diensten aangeboden. Ik zou gaan acteren. Aanvankelijk had ik niet zo’n zin, bovendien vond ik dat ik mijn tijd beter kon besteden maar ik ging toch en het was hartstikke leuk! Niet in de laatste plaats vanwege mijn tegenspeelster, Esther P. die de levenspartner van een gerehabiliteerde kleptomaan met recidive neigingen (ik dus) speelde. Getourmenteerd kijken ging me, na de afgelopen tijd, verrassend gemakkelijk af. Marije blij, Esther blij, ik blij, iedereen blij. Blij, blij, blij, blij, blij, blij, blij enfin, u kent dat gevoel wel en zo niet, dan moet u misschien eens een vriendin een cursus filmregie cadeau doen.

Nadat we een prachtig filmpje hadden geschoten dat pagina’s van EHE zal sieren zodra ik het hier op cd heb, gingen Marcel T. en ik in een Citroen Berlingo naar Maastricht om daar in de buurt te gaan fietsen. Dat kan daar namelijk heel leuk, was ons verteld. Om 20:45 stipt, een kwartier voor de min of meer harde deadline, checkten wij in en begaven ons dorstig naar de bar waar bij het aimabele personeel vakkundig inlichtingen over de stad werden gewonnen. Ik verloop het knullige potje schaken. Na een bescheiden aantal biertjes doken we ons nest in.

Zaterdag was het koersdag. We zouden ongeveer de helft van de Mergellandroute gaan rijden, zo ongeveer bij Vaals, dan hadden we de meeste klimmetjes wel verkend, zo dachten we. Om er een beetje in te komen. Ik had woensdag al een toch van vergelijkbare lengte gemaakt met de wind flink tegen en was tamelijk kapot de Sonsbeeksingel naar het Rijnstate opgeharkt dus ik verwachtte er weinig van. Toch ging het als een zonnetje. Als je cadans kan houden is klimmen gewoon een kwestie van rechtdoor ouwehoeren. Ik ben dat gehele weekeinde bergop niet ingehaald. Bemoedigend!

Zuid-Limburg is een fietsgebied. Ik denk dat we genoeg tourclubs zijn tegen gekomen om vier pelotons de Amstel Goldrace te laten rijden. Na een afdaling van de Camerig (met meer dan 200 meter ‘De Nederlandse Alpe d’Huez’ genoemd) kom je normaal gesproken in Vaals. Ik had Marcel al geruime tijd geleden gelost en was een beetje aan het tijdrijden. Er stond weinig wind, ik kon het buitenblad lekker zwaar blijven harken en in de afdaling gaf ik nog eens extra gas. Ik heb de bordjes Vaals twee kilometer nooit gezien. De route ging links, en ik dus ook. Ik vond Vaals nog behoorlijk ver weg liggen toen ik diep ging. Het had van mij wel eerder mogen komen.

In Eys, bij de beroemde Eyserbosweg wachtte ik op mien moat, maar die bleef weg. Twintig minuten heb ik daar staan wachten en ben toen een kilomter of twee terug gereden. Geen Marcel. Even was ik ongerust, maar nam toen de beslissing in Vaals gewoon maar eens mijn ogen de kost te geven en dan samen te lunchen op een terras aan de route of zo. Ik had het route boekje bij me, maar las het niet. Nadat ik de Eyserbosweg was opgekropen, des te meer onder de indruk van Micheal Boogerd, die in Holland Sport zei een buitenblaadje te laten staan ‘om te ontmoedigen’, stampte ik door naar Keutenberg. Je kunt de weg tegen de Keutenberg vanuit het dal zien liggen en het aanzien voor een telegraafpaal. Welke gek bedacht heeft dat het handig was om de weg recht omhoog tegen de helling neer te leggen weet ik niet, maar hij zit nu vast kwijlend in een dwangbuisje. 22% is de helling en bij elke trap die ik op het binnenste van mijn drie blaadjes gaf dacht ik dat ik zo achterover de heuvel weer af zou kukelen. Ik reed over de namen van ‘Vino’, ‘Boogie’ en naamsgenoot Di Luca. Dat gaf moed en uiteindelijk is ‘Luctor et emergo’ nog niet zo gek bedacht als leus.

In Valkenburg begreep ik pas dat ik Vaals al behoorlijk ver voorbij was, haalde mijn schouders op at de lunch en harkte naar Maastricht waar Marcel net onder de douche vandaan kwam. Hij was in Vaals gebleven en vandaar terug naar Maastricht gekoerst. We waren ruim op tijd om de laatste 50 kilometers van Milaan San Remo te zien. Petacchi won. ’s Avonds begaven wij ons naar de verwarmde terrassen van het Vrijthof. Maastricht is een hele leuke stad. De cafés die ons waren aangeraden lieten we bij nader inzien maar links liggen. Gesprekken van vrienden onder elkaar zijn goede gesprekken, weekjournaal, dat weet u als geen ander. Biertje, terrasje, goed gesprek. Meer heeft een zaterdagavond niet nodig. Marcel T. is een excellent gesprekspartner. Het was dan ook een excellente zaterdagavond.

Zondag reden we de Mergellandroute. Marcels benen waren een stuk beter, en hij bleef er lang aan. Op de Eyserbosweg en de Keutenberg wist ik wat ik moest steken en dus bleef ik daar wachten. Zelden zag een boei zo rood als de rossige kop van Marcel T op de Keutenberg. Maar hij kwam boven. In Valkenburg aten we eieren met spek en tosties: daar word je groot en sterk van wisten we. Daarna reden we de noordelijke tak van de route, die aanmerkelijk minder leuk is dan de zuidelijke tak. We hadden zaterdag de goede tak verkend. In de afdaling van de Kruisberg reed ik bij Marcel weg en met wind in de rug harkte ik naar het hotel.

Toen we naar huis wilden gaan wilde de auto niet starten, maar even later wel. De maandag was ook een dag als duizenden, met Eliza de W. en Joeke B. gelunched, geterrast en daarna gedineerd. Daar was natuurlijk eigenlijk helemaal geen budget voor, maar de rest van de maand eten we gewoon kliekjes. Erg gezellig, goede gesprekken – ook zij zijn uitstekende spreeksters, daar selecteer ik in een vroeg stadium al op. Na mij een hele dag aan hun prettige gezelschap, droge witte wijn en de zon te hebben gelaafd ging ik dik tevree met alweer een fijne dag naar mijn bedje.

De dinsdag was een dag van beloften. Ik had de zaterdag Esther P., die ik die vrijdag had ontmoet, gebeld om wat af te spreken. Om een onduidelijke reden had ze daarmee ingestemd en wellicht had ze dinsdag tijd. Ik moest in elk geval eerst DAN wonen veel geld geven voor het nieuwe EHE redactiehok en naar school voor een plenaire vergadering over de werkplannen. Ik belde haar om twaalf uur en een uur later aten we een ijsje op het Deventerse terras van Talamini. Al met al duurde de eerste date niet langer dan een uur of twee, maar het waren twee heel goed bestede uren. Esther bleek ook een uitstekend redenaar te zijn, en mooi et cetera bovendien.

Eenmaal terug in Zwolle bracht ik mijn tijd door met aanklooien, koteletten bakken (lekker sausje Hoenderdos!) en had ’s avonds een interview met Tim Takken zodat ik ook het gevoel had nog wat aan school te hebben gedaan de afgelopen week. De planning voor de aankomende week is iets anders, maar toch niet heel veel. Ik ga me in elk geval bezighouden met verhuizen. Vandaar de afspraak die ik om 14:00 met Naomi B. (de huidige bewoonster van het toekomstige EHE redactiehok) heb. Maar eerst fietsen, en daarom ga ik nu ontbijten (het is inmiddels 9:00). Dan zit ik om tien uur op de fiets, om een uur weer terug. Vanavond eten bij Marc. Op Witte donderdag een grap met watten maken, goede vrijdag een dagje braaf zijn. De rest is onbelangrijk. Tot schrijfs, weekjournaal, en veel groetjes aan je vriendjes!


gepost door: daniel_hoenderdos op 07:42 | | | binnenland